Fosfaatreductieplan onder vuur, hoe verder na de kort geding vonnissen?

Op 12 april dienden bij de rechtbank Den Haag enkele kort gedingen met als inzet het fosfaatreductieplan. Deze kort gedingen waren aangespannen door melkveehouders maar ieder vanuit hun eigen specifieke situatie. Zo is er een groep melkveehouders die voor de peildatum (2 juli 2015) onomkeerbare investeringsbeslissingen zijn aangegaan, veelal in de vorm aankoop van land en of de bouw van een stal, terwijl op 2 juli 2015 de veestapel nog niet op het met die investeringen beoogde peil was gebracht. Een tweede groep betreft de biologische boeren.

Zij stellen zich -kort samengevat- op het standpunt dat het fosfaatreductieplan voor hun bedrijven leidt tot een ontneming of regulering van eigendom in strijd met artikel 1 van het eerste  1e protocol van het EVRM en zij vorderen dat het fosfaatreductieplan voor hen buiten werking wordt gesteld.

Zij voerden daarbij aan dat zij bij de invoering van de fosfaatrechten vermoedelijk als knelgeval zullen worden aangemerkt omdat bij het amendement-Geurts reeds aandacht is gevraagd voor de positie van bedrijven die voor 2 juli 2015 onomkeerbare financieringsverplichtingen zijn aangegaan. Dan is het wel heel vreemd dat deze bedrijven bij de voorloper van de fosfaatrechten (het fosfaatreductieplan) niet als knelgeval worden aangemerkt, aangezien het reductieplan voorsorteert op de fosfaatrechten.

De landsadvocaat was daarentegen van mening dat er sprake is van een tijdelijke maatregel, en dat er geen sprake is van een regulering van eigendom in strijd met het EVRM.

Hij stelde verder dat maatregelen zoals de fosfaatrechten en het fosfaatreductieplan reeds sinds eind 2013 voorzienbaar waren, waarbij wordt verwezen naar publicaties en kamerbrieven. Melkveehouders die hebben geïnvesteerd en nu in de problemen komen, hadden dat kunnen zien aankomen.

De uitspraken en de reikwijdte daarvan

Zoals bekend heeft de voorzieningenrechter op 4 mei jl. de vorderingen van eisers toegewezen en beslist dat het fosfaatreductieplan voor hen buiten werking wordt gesteld. De uitspraken zijn na te lezen op www.rechtspraak.nl. Het fosfaatreductieplan was voor eisers niet voorzienbaar en vormt voor hen een onevenredige last in de zin van artikel 1 eerste protocol.

De uitspraken van de voorzieningenrechter hebben nog geen definitieve status. Het betreft een voorlopige voorziening, in een bodemprocedure zou de rechter (in theorie) anders kunnen oordelen.  Bovendien kan de Staatssecretaris gedurende 4 weken hoger beroep instellen.

Verder is het van belang te vermelden dat de uitspraken alleen gelden voor degenen die in de vonnissen als eiser zijn vermeld. Melkveehouders die in een vergelijkbare positie verkeren kunnen geen rechten ontlenen aan deze vonnissen en zullen dus zelf actie moeten ondernemen. Een eerste stap zou kunnen zijn het verzenden van een sommatiebrief, waarin gemotiveerd wordt uiteengezet dat het betreffende bedrijf in dezelfde positie verkeert als degenen voor wie het reductieplan nu buiten werking is gesteld, en waarbij de Staatssecretaris wordt gesommeerd om het reductieplan voor dat bedrijf buiten werking te stellen. Wordt aan die sommatie binnen de gestelde termijn geen gehoor gegeven, dan kan vervolgens een kort geding worden opgestart.

Het valt echter ook niet uit te sluiten dat de kort geding vonnissen voor de Staatssecretaris aanleiding zullen zijn om het fosfaatreductieplan te versoepelen, maar dan rijst de vraag hoe dit te realiseren is met behoud van de derogatie. Anderzijds zou dit als voordeel hebben dat er op korte termijn duidelijkheid komt. Wanneer er hoger beroep zou worden aangetekend weet de sector de komende maanden nog niet waar zij aan toe is!

 

Piet Stehouwer
Bout Advocaten