Hoe verder na het vonnis?

2017 auteur: Sieta van Keimpema

De Regeling Fosfaatreductie brokkelt af. Melkveehouders voor wie de regeling nog niet buiten werking is gesteld, krijgen meer ‘disproportionele last’ zodat ook zij niet meer aan de regeling zullen hoeven voldoen. Zuivelkopstukken roepen op tot solidariteit. Maar hoe groot is de klont boter op hun hoofd?

De eerste vonnissen over de Regeling Fosfaatreductie zijn uitgesproken. Voor de groepen melkveehouders die deze kort gedingen hebben aangespannenen heeft dit geleid tot het buiten werking stellen van de regeling. Bepalend voor de rechter is onder andere de ‘disproportionele last’ die de regeling oplevert voor de individuele eisers.

Dat meer groepen melkveebedrijven zullen volgen lijkt logisch. De regeling heeft immers verstrekkende financiële gevolgen voor individuele melkveebedrijven. Bovendien wordt met het schrappen van de regeling voor steeds meer melkveebedrijven, de ‘disproportionele last’ voor de overblijvers steeds groter. Zodoende kunnen steeds meer bedrijven op grond van dit principe succesvol gaan procederen.

Solidariteit

In reactie op de onrust en onzekerheid in de sector die deze vonnissen hebben opgeroepen, hebben een aantal zuivelkopstukken zich al laten horen. Zo heeft de voorzitter van FrieslandCampina, Frans Keurentjes, melkveehouders opgeroepen solidair met elkaar te zijn en de regeling fosfaatreductie uit te voeren “om de derogatie te behouden”.

Maar in hoeverre is het gepast dat juist coöperatieve voorzitters en zuivelwoordvoerders zich geroepen voelen om melkveehouders te manen tot solidariteit? Dezelfde zuivelvertegenwoordigers die fel hebben gestreden voor de afschaffing van de melkquotering? Die voorafgaand aan de afschaffing van het melkquotum, de melkveehouders voorhielden dat zij na 1 april 2015 “konden melken wat ze wilden”? Die wel op de hoogte waren van het fosfaatplafond maar dit willens en wetens hebben verzwegen omdat men vreesde voor de eigen loopbaan in het zuivelpluche en daarmee de melkproductie en dus ook de mestproductie hebben opgejut? Die bedrijfsintensivering hebben gepromoot via de kwantumtoeslag en die vervolgens door de ‘kleine’ leden hebben laten betalen? Die geen enkel management aan de dag hebben gelegd bij het onder controle houden van de groei? Die de rekening van het mismanagement van de overheid ten aanzien van de derogatieafspraken, één op één hebben afgewenteld op de individuele leden-melkveehouders? Terwijl ondertussen een essentieel onderdeel van de coöperatieve gedachte, de onvoorwaardelijke ophaalplicht, bij FrieslandCampina werd afgeschaft? Terwijl de leverplicht werd gehandhaafd, zelfs als de coöperatie besluit dat ze de melk niet wil uitbetalen of ophalen?

Boetekleed

Het zou de zuivelvertegenwoordigers, verenigd in ZuivelNL, sieren als zij nu met deze vonnissen in de hand het boetekleed aan zouden trekken en eens op zouden komen voor hun achterban. En dan bedoel ik de melkveehouders en niet de zuivelindustrie!

Al in juni 2015 waarschuwde de DDB de zuivelvertegenwoordigers voor de mogelijke gevolgen die het opleggen van buitenwettelijke, particulier opgelegde beperkingen, zouden kunnen hebben voor individuele melkveehouders ten aanzien van het recht op schadevergoeding door de overheid: een aan een melkveehouder verstrekte vergunning, geeft hem het recht op het meest doelmatige gebruik van die vergunning.

Wil de overheid daar vanaf wijken en deze vergunning toch inperken, dan moet de overheid deze ondernemer financieel compenseren. Dit alles wegens de ‘disproportionele last’ die niet zonder compensatie mag worden opgelegd. ZuivelNL luisterde niet naar de DDB en wilde toch zelf het fosfaatreductieplan opleggen. Gelukkig kwam er in de zuivelsector uiteindelijk niet de benodigde steun voor het fosfaatplan van ZuivelNL. Gelukkig ook voor de zuivelbestuurders, die zich anders nu op het terrein van onbehoorlijk bestuur en persoonlijke aansprakelijkheid zouden bevinden.

De vonnissen die er nu liggen verwijzen naar het toen al door de DDB gestelde: een disproportionele last mag niet zomaar worden opgelegd. Dat geldt eveneens voor het fosfaatplan dat in 2018 in moet gaan.

Hoe nu verder

Maar hoe nu verder? Is de kans op derogatie nu verkeken?

Niet in meer of mindere mate als vóór 4 mei 2017. En zeker niet door de melkveehouders die deze tekortkomingen in de Regeling fosfaatreductie aan de dag hebben gelegd.

Essentieel voor een toekomstige derogatie is de opstelling van de Nederlandse overheid. Uit de Beschikking ten aanzien van de huidige derogatie en de briefwisseling tussen de Europese Commissie en de Nederlandse overheid daaromtrent (opgevraagd door V-focus) is gebleken dat onze overheid ernstig in gebreke is gebleven bij het uitvoeren van de verplichtingen aangegaan in deze Beschikking: controleren, handhaven, ingrijpen, toepassen voorzorgsprincipe én het zorg dragen voor verwerking van het mestoverschot uit de zuivelsector vanaf januari 2015.

Het is nu aan de Nederlandse overheid om met echte financiële middelen te komen om aan de derogatievoorwaarden te voldoen, middelen die een stuk verder gaan dan de luizige 2 miljoen euro die men tot nu toe in het behoud van derogatie heeft willen investeren.

Dat kan nog op verschillende manieren, op creatieve wijze en met of zonder inmenging van ‘Brussel’.

Disproportionele last

Zo zou men, voortvloeiend uit de constatering van de rechter dat er sprake is van algemeen belang terwijl de disproportionele last te hoog is voor een aantal individuele bedrijven, een deel van deze melkveebedrijven vrijwillig kunnen onteigenen (handboek water: als de gedoogplicht te hoog wordt, is onteigening vanaf een bepaald percentage oppervlakteverlies, gerechtvaardigd). Als onteigening terecht is, is bij deze vorm van opkoop van de benaming ‘ongeoorloofde staatssteun’ door Brussel geen sprake.

Hoewel deze juridische mogelijkheid momenteel nog niet gebruikt is voor deze bijzondere omstandigheden, vertrouw ik er op dat een staatssecretaris, die zo creatief is geweest om een oude Landbouwwet voor zijn doeleinden te gebruiken, hiervoor zijn hand niet omdraait.

Artikel 222

Daarnaast biedt het nog steeds actieve crisispakket voor de melkveehouderij van de Europese Commissie mogelijkheden, o.a. via cofinanciering en door het tijdelijk ingestelde ‘artikel 222’ waarmee een aantal mededingingsregels nog steeds mag worden genegeerd.

Onderhandelen

En, een mogelijkheid die allang benut had kunnen worden en nog steeds een goede optie biedt: onderhandel over een andere invulling van de huidige derogatie! In de gesprekken die de DDB heeft gevoerd met het Nitraatcomité, hebben ze deze optie steeds als mogelijkheid genoemd: Nederland kan, als ze aan kunnen tonen dat de doelstellingen van de Nitraatrichtlijn door Nederland worden ingevuld met andere instrumenten dan het fosfaatplafond, daarover onderhandelen.

Nederland kan deze cijfers aantonen: zeker voor het grondwater maar óók voor het oppervlaktewater. De Nederlandse veehouderij doet het uitstekend en kan aantonen dat de derogatie niet heeft geleid tot een verslechtering van de oppervlakte- en grondwaterkwaliteit.

En dan is er veel mogelijk in Brussel. Wat echter essentieel is voor deze optie is een overheid én een zuivelsector die zich 100% inzetten voor de melkveehouders, die immers part noch deel hebben aan de chaos die van overheidswege over hen is uitgestort.

Een overheid en zuivelsector die eenzijdig en continue individuele ondernemers op laten draaien voor fouten en schade die door deze instituten zijn begaan, is niet geschikt voor zijn taak.

De individuele melkveehouders hebben allen al veel schade geleden door het gebroddel in de fosfaatproblematiek. Neem uw verantwoordelijkheid en herstel het vertrouwen in uw instituten!

Ook die boodschap valt te leren uit de vonnissen van 4 mei.