Visie DDB fosfaatplafond

Op de algemene ledenvergadering 30 juni j.l. spraken we al over de dreigende fosfaatrechten die een paar dagen later door staatssecretaris Dijksma voor de melkveesector werden aangekondigd. Haar brief aan de Kamer kunt u op onze site lezen. De DDB heeft haar visie op het fosfaatplafond tevens ingebracht bij het Rondetafelgesprek fosfaatplafond dat op 10 juli a.s. wordt gehouden te Montfoort.

In de eerste plaats erkent de DDB het in het verleden door LTO en NZO vastgelegde fosfaatplafond voor de melkveesector niet: dit plafond voor de sector is door slechts twee partijen vastgelegd en vervolgens opgedrongen aan de gehele sector zonder enige vorm van inspraak. Het plafond geeft rechtsongelijkheid tussen de sectoren die wel en niet hoeven te voldoen aan een fosfaatnorm, terwijl alle diersectoren fosfaat ‘produceren'( een dier produceert feitelijk geen fosfaat maar scheidt uit wat hij opneemt door het voer). Daarnaast zet dit plafond ons in de EU op achterstand door een toename van de kosten en de administratieve lastendruk.

Dat nu wordt voorgesteld om alle melkveehouders ‘af te romen’ en daarmee alle melkveehouders te duperen, is onrechtvaardig; daarmee worden alle melkveehouders tot ‘knelgeval’.

Slecht beleid valt niet onder de noemer ‘ondernemersrisico’ en dient derhalve niet op individuele ondernemers wiens handelswijze correct is geweest, te worden afgewenteld. Ondernemers die zowel in 2014 als in 2015 illegaal hebben gehandeld (bijvoorbeeld buiten vergunningen om of zonder het benodigde melkquotum in gebruik te hebben) dienen verantwoordelijkheid af te leggen. Het optreden van deze ondernemers dient niet te worden gelegaliseerd ten koste van ondernemers die part noch deel hebben aan het overschrijden van een ‘papieren plafond’ opgelegd door private partijen.

De DDB zal zich, zoals altijd, hard maken voor de belangen van de melkveehouders; het zou goed zijn als andere partijen in de zuivelsector die de melkveehouders ernstig in problemen hebben gebracht met hun ondoordachte optreden, dit ook zouden doen.

Inbreng Dutch Dairymen Board Rondetafelgesprek fosfaatplafond

1. Waar ligt de verantwoordelijkheid?

2. Hoe rechtvaardig is de fosfaatruimte voor de melkveesector?

3. Welke maatregelen verdienen de voorkeur?

1. Verantwoordelijkheid

In 2002 heeft de Nederlandse overheid het fosfaatplafond van 172,9 miljoen kilogram met ‘Brussel’ afgesproken. Vanaf die datum had men de beschikbare ruimte voortdurend moeten monitoren en mee moeten nemen in de besluitvorming aangaande de afschaffing van de melkquotering en het verstrekken van vergunningen. Het wettelijk bevoegd gezag heeft echter vergunningen verstrekt waarvoor op een bepaald punt, milieutechnisch geen ruimte meer beschikbaar was. En heeft niet handhavend opgetreden tegen vergunningaanvragen die zouden leiden tot overschrijding van het fosfaatplafond in de melkveehouderij. Ook ten aanzien van het voorzorgsprincipe en de bevoegdheden voortvloeiend uit de algemene wet Bestuursrecht, is de overheid nalatig gebleken. De Nederlandse overheid heeft zo het fosfaatplafond voor de melkveehouderij, verhoogd tot de som van de verleende vergunningen. Een aan melkveehouders verstrekte vergunning geeft hen het ‘recht op het meest doelmatige gebruik van de inrichting’. Alleen als er zwaarwegende maatschappelijke redenen zijn, mag er worden afgeweken van dit recht door de overheid. Het beperken van dit recht geeft mogelijkheden tot schadevergoeding door de overheid.

2. Rechtvaardig

De melkveehouderij wordt afgerekend op het zogenaamde ‘sectorplafond’ van 84,9 miljoen kg dat in een convenant met LTO en NZO is vastgelegd. Voor het behoud van de derogatie geldt echter alleen het nationale plafond van 172,9 miljoen kg fosfaat. Hoe de ruimte tussen de sectoren wordt verdeeld, is van geen belang voor de EU. Het kan dus zijn dat de melkveehouderij meer gekort wordt dan strikt noodzakelijk is. Terwijl de pluimveesector naar verluid al boven haar plafond produceert en niet gekort wordt.

Er is geen garantie dat Nederland onder het fosfaatplafond blijft nu belangrijke sectoren als de kalveren-, vleesvee-, geiten-, schapen- en paardenhouderij buiten de bepalingen vallen.

Nu het overschrijden van het nationale fosfaatplafond de enige wettelijke basis is om fosfaatrechten in te voeren, is het juridisch de vraag of men melkveebedrijven verder mag korten dan wellicht nodig is. Bovendien is het de vraag of deze productiebeperkende voorstellen ‘Mededinging proof’ zijn.

3. Mogelijke maatregelen

Alle nieuwe wetgeving (zowel van staatswege als privaatrechtelijk) die wordt opgelegd als uitvloeisel van het fosfaatplafond, dient vóór invoering ter goedkeuring te worden voorgelegd aan ‘Brussel’.

Om te garanderen, dat we het nationale plafond niet overschrijden moeten alle veehouderijsectoren onder de fosfaatregeling vallen.

Van afroming mag geen sprake zijn; gedupeerden dienen hun schade te claimen bij de overheid en niet bij collega’s die part noch deel hebben aan de overschrijding van het plafond. Ten aanzien van ‘knelgevallen’: Iedere veehouder die binnen zijn vergunning, onbenutte dierruimte heeft, is een knelgeval. Het bouwjaar van de stal dient hierop geen invloed te hebben. De DDB is van mening dat de overheid niet aan verleende vergunningen mag tornen, mits daar een redelijke schadevergoeding tegenover staat. Een opkoopregeling kan hiervoor de oplossing bieden.

Tevens dient werkbare wetgeving te worden geïmplementeerd, nu de aankomende periode een wildgroei aan wetten wordt opgelegd aan de melkveehouderij die de bureaucratie verhogen en het overzicht vertroebelen.